Zorgplicht in de praktijk: de sector die zijn beste klant wettelijk moet afremmen

Zorgplicht in de praktijk: de sector die zijn beste klant wettelijk moet afremmen

Nederlandse wetgeving schrijft steeds gedetailleerder voor hoe een sector met de mensen aan de andere kant van de transactie moet omgaan. Het onderwerp is daarbij verschoven van de eigen administratie naar wat een bedrijf over zijn klant of ketenpartner nog zonder controle mag aannemen. De flexbranche krijgt er zo'n plicht binnenkort bij. Eén sector is verder. Daar is aan de plicht een bedrag per maand gekoppeld, en dat bedrag richt zich uitgerekend op de klant die het meeste bijdraagt aan de omzet. Zo'n plicht werkt daarmee rechtstreeks tegen het eigen kortetermijnbelang in.

Uitleners en inleners krijgen allebei een nieuwe wettelijke verplichting

De Wtta is daarvan op dit moment het duidelijkste voorbeeld. Uitleners van arbeid, zoals uitzendbureaus en detacheerders, mogen vanaf 1 januari 2027 alleen nog werknemers aan het werk zetten wanneer zij tot de markt zijn toegelaten. Die toelating verloopt via de Nederlandse Autoriteit Uitleenmarkt. De plicht stopt niet bij de uitlener. Ondernemingen die arbeidskrachten inhuren mogen geen zaken meer doen met een uitlener zonder toelating, en ook zij kunnen daarvoor een boete krijgen. De Nederlandse Arbeidsinspectie begint pas op 1 januari 2028 met handhaven, waardoor bedrijven een jaar hebben om hun contracten en controles aan te passen. Deze wet bepaalt daarmee de kring van partijen waarmee een bedrijf nog zaken kan doen.

Bij vergunde aanbieders hangt er een bedrag aan de zorgplicht

In de vergunde online kansspelsector richt een vergelijkbare plicht zich op de bedragen zelf. Volgens de Rijksoverheid ligt de eerste grens bij een stortingslimiet van 350 euro per maand en de tweede bij 700 euro storting per maand. Een speler die boven die eerste grens uit wil, neemt daarvoor eerst contact op met de aanbieder. Boven de tweede grens moet de aanbieder uit zichzelf nagaan of de speler de financiële gevolgen kan dragen. Die draagkrachttoets hoort bij beleidsregels die sinds 1 oktober 2024 gelden, een aanscherping van de bestaande zorgplicht die ziet op daadwerkelijk vertoond speelgedrag.

Het grensbedrag werkt per definitie aan de bovenkant van het klantenbestand. Voorbij dat bedrag is het niet langer aan casino nl zelf of een klant slots en tafelspellen kan blijven spelen. Dezelfde grens geldt voor elke Nederlandse vergunninghouder. Geen andere partij in de markt neemt die ingreep over. De zorgplicht bepaalt in deze sector daardoor hoever de opbrengst uit één klant mag oplopen voordat het bedrijf zelf moet remmen.

Wat moet een aanbieder kunnen aantonen?

Een toets die alleen op papier bestaat, houdt weinig stand. De Kansspelautoriteit eist dat draagkrachttoetsing berust op voldoende, correcte en controleerbare informatie, en constateert dat sommige aanbieders die toets zonder bewijsstukken doen. Werkt een speler niet mee, dan stemt de aanbieder zijn zorgplicht op die situatie af. Hij mag voor die speler de nettostortingsgrens aanhouden die de Kansspelautoriteit noemt. Dat is hetzelfde bedrag als de tweede grens. Die grens bepaalt eerst wanneer er getoetst moet worden en daarna wat een speler zonder afgeronde toets nog netto mag storten. Bij overschrijding van die nettogrens past het in beginsel binnen de zorgplicht dat verdere stortingen de rest van de kalendermaand worden geblokkeerd. De zorgplicht staat voor 2026 op de toezichtagenda van de toezichthouder.

Uitsluiting werkt over de hele vergunde markt tegelijk

Naast de toets bestaat Cruks, het register voor zelfuitsluiting. Een inschrijving daarin werkt bij alle online aanbieders van kansspelen en alle speelautomatenhallen in Nederland. De klant verdwijnt daarmee bij alle vergunninghouders tegelijk, en niet alleen bij het bedrijf waar hij tot dat moment speelde. Voor de aanbieder is dat een vertrek dat hij elders in de markt niet kan compenseren. Bij de toegang tot diezelfde markt geldt een even harde grens, want een vergunninghouder mag geen deelnemers toelaten die de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt.

Dezelfde beweging is buiten deze sector al zichtbaar

Bedrijven buiten deze sector krijgen zelden een bedrag opgelegd, maar wel dezelfde soort verplichting. De toelatingsplicht voor uitleners van arbeid legt het risico van een verkeerde keuze uitdrukkelijk bij de inhurende partij. Die partij wordt verantwoordelijk voor iets wat zich buiten haar eigen organisatie afspeelt. Het controleren van die keuze wordt daardoor zelf een verplichting.

Een controle die niet is vastgelegd, valt achteraf moeilijk te bewijzen, en dat blijkt meestal op een ongelegen moment. In een klein bedrijf maakt de eigenaar die keuze nog zelf. Bij groei oordelen managers en teamleiders namens hem, waardoor leiderschap in een groeiende organisatie ook gaat over wie welke beslissing neemt. Een ondernemer die zijn dossiers nu al inricht op de gronden onder een beslissing, hoeft achteraf minder te reconstrueren. Daarmee wordt de verplichting een onderdeel van de dagelijkse bedrijfsvoering, in plaats van een sluitpost die pas bij een geschil in orde moet komen.